Rob Voerman ‘human comfort’ in Cobramuseum
Amstelveen, een centrum zoals iedere snel opgetrokken stad, nog zonder weemoed, zonder historie, bleke stenen, kaal, Scapino-, Blokker-, SchoenenreusBV-sfeer. Het regent koud en nattig. Het Cobramuseum staat gelukkig bij het station. Een simpel museum met overzichtelijke grote ruimten, beneden hangen werken van Cobrakunstenaars, een houten trap naar boven leidt de bezoeker naar de expositie van Rob Voerman.


Bestaande betonnen structuren en fundamenten worden gebruikt om in en omheen te bouwen, uitspansels die vooral met afvalhout en karton in elkaar zijn geflanst.
Het is de vraag of het mogelijk is om een gevoel van intimiteit te creëren na een alles verwoestende ramp.
Of is de mens een ongeneeslijk gezelligheidsdier?
Het doet me denken aan hutten, die mijn zus, een vriendinnetje en ik, in de kelder onder een tafeltennistafel maakten, met dekens tegen een schutting of dekens over een klimrek.
Maar het doet me ook denken aan hutten van arme mensen in andere landen. En ik vraag me af hoe deze expositie het zou doen in de sloppenwijken in Cambodja.


Overleven, het thema is niet nieuw, er zijn tig boeken, kunst en films over gemaakt. Maar Rob Voerman neemt de architectuur als uitgangspunt, waardoor de vormgeving bijna neutraal aan doet. Toch proef ik het gebiologeerd zijn over het er ná, de opluchting van ‘het overleefd’ te hebben.
Een film die ik laatst gezien heb, ‘The Road’ is een film van John Hillcoat, de sfeer is er minder opgelucht, daar is het de vraag of je wel zo gelukkig moet zijn dat je het overleefd hebt. De hel is er op aarde, daar is een blijk van menselijkheid een zo tegengesteld contrast dat het wel op móet vallen.

Er staat een installatie, een soort langwerpige kist met aan weerszijden luxaflexen, gebouwd aan een houtversnipperaar. Ik ben op zoek naar de ingang.
Een vrouwelijke suppoost komt aansnellen. Vermanend zegt ze me er van af te blijven.
Ik negeer haar gebiedende toon en vraag haar of zij de opening weet, ‘Men moet er toch in kunnen?’ Ze blijft in haar rol. ‘Dat weet ik niet’ en haar ogen waarschuwen me om eraf te blijven.

In de andere installaties kun je er wel in, donkere hokjes waar je kunt zitten en staan, soms staat er een bed, soms een houten bank, planken, maar zeker is er een opening waar je in kunt. Een video toont de binnenkant van een hut die gebouwd is aan een op de kop liggende auto, er is een bar in gemaakt, de sfeer is als in een kraakpand, jongeren die genoeglijk bij elkaar zitten. Maar de buitenkant ziet eruit als een explosie.

Een film uit de jaren vijftig: The incredible shrinking man, een man die tot een bacterie ineenkrimpt en door acceptatie zijn thuisgevoel gigantisch maakt, door zijn eenheid met de enorme kosmos.
Dat gaat niet op voor de mensen die hier zijn afgebeeld op de houtsneden, zeefdrukken en tekeningen. Ze lijken zonder gevoel, stripfiguren, afstandelijk, aan het werk, overleven.
De zeefdrukken en houtsneden zijn waardevolle aanvullingen op de installaties.
Er zijn grote landschappen op afgebeeld waarin iets gebeurt, in zwarte lijnen op wit papier. Vaak een enorme stad, met duizelingwekkende bouwsels, minutieus en tegelijk zo kolossaal dat het bijna absurd is.
Soms ben je een toeschouwer, kijkend uit het raam en denkend dat je een eenling bent, maar dat is misleidend, want achter alle ontelbare ramen zijn ook eenlingen als jij.


De mens is een konijn in zijn hol, een mier in een mierenhoop, een vogel op een nest, een specht in een boomstam. En de associatie is rond als ik een maquette zie.
Varkens en koeien, die gehouden worden, vetgemest, en geslacht in een fabriek waar een luxueus bejaardentehuis met uitvaartcentrum is ingelijfd.
Ik vraag me af hoe men mest-stank wil voorkomen.
M’n metgezel wijst me op de gangpaadjes in de maquette. Er liggen muizenkeutels. Muizen hebben hun weg alvast erin gevonden.

Aan de ene kant lijken de hutten klungelig, improvisorisch, bijvoorbeeld het gebruik van kartonnen dozen en afvalhout, aan de andere kant is het ingenieus, bijvoorbeeld de ramen. De ramen zien er behoorlijk gecultiveerd uit. Sommige ramen zijn van gekleurd glas, zodat binnen een bijna religieuze sfeer heerst. Bij andere ramen kun je van binnen naar buiten kijken maar niet andersom.
Binnen is gezellig omdat het buiten guur en eenzaam is, dat zie je immers als je binnen zit. Maar buiten in de guurheid van de verwoesting en verlatenheid zie je de warmte en veiligheid niet.

Ook in een zeefdruk zie je dit terugkomen, een afbeelding van een raam, je kijkt naar buiten, waar zojuist een bom ontploft, terwijl binnen mensen maquettes zitten te maken. De grens tussen binnen en buiten is ook hier nogal dubieus. Als onaantastbare goden zitten mensen maquettes, huisjes te maken, terwijl er iemand voor het raam staat en naar buiten kijkt en juist omdat er iemand naar buiten kijkt, kijk je mee en zie je die enorme ontploffing.

De tentoonstelling ‘human comfort’ van Rob Voerman is t/m 30 mei in het Cobramuseum in Amstelveen. www.cobra-museum.nl
